'Support in Volendam, de kracht van de gemeenschap na een ramp'
Volendam, en dan natuurlijk
vooral getroffenen en betrokkenen, hebben heel wat te verwerken gehad
na 1 januari 2001. Terugkijkend op de afgelopen vijf jaar kan gezegd
worden dat Volendam zelf een actieve rol gespeeld heeft in de collectieve
en individuele verwerking. Daar gaat het boek Support in Volendam over.
Direct na de brand ontstonden er in Volendam naast de professionele
hulpverlening allerlei spontane initiatieven. Daaronder was het Supportproject.
De SSNV en de Helpdesk richtten zich vooral op de materiële en
praktische steun. De BSNV op de belangenbehartiging van de getroffenen.
(Overigens staat ten onrechte in het boek dat de BSNV in januari 2001
is opgericht terwijl dit in april was. Met excuses aan de BSNV. Overigens
is dit alleen voor de geschiedschrijving erg.)
Het Supportproject richtte zich op de psychosociale kant, de sociale
steun aan getroffenen en betrokkenen.
Centraal in het Supportproject
staat het woord betrokkenheid. De initiatiefnemers van het Supportproject
waren professionals uit verschillende hoek die vanuit betrokkenheid,
op vrijwillige basis, het initiatief tot het Supportproject namen. Zij
deden dit nadat zij van Zweedse hulpverleners gehoord hadden over de
aanpak na de discotheekbrand in Gotenborg. Deze Zweedse hulpverleners
kwamen op eigen initiatief, ook uit betrokkenheid, spontaan naar Volendam
om hierover te vertellen.
Dat de zaal in hotel Spaander vol zat toen de eerste informatieve avond
van het Supportproject werd georganiseerd getuigt er ook van hoe betrokken
veel Volendammers waren. Het Supportproject bood hen de gelegenheid
om wat te doen waardoor zij hun betrokkenheid konden uiten en het gevoel
van onmacht draaglijker werd.
Dat zoveel supporters de afgelopen jaren zich hebben ingezet, en het
Supportproject nog steeds bestaat laat zien dat die betrokkenheid niet
een kwestie van de eerste paar maanden was maar een langdurige kwestie.
Na een ramp is bijna iedereen betrokken, dat kan bijna niet anders.
Volendam is in staat gebleken om de betrokkenheid lang vast te houden
door deze te organiseren. Dat kon Volendam overigens doordat het financiële
steun kreeg voor deze organisatie. De informele hulp uit de eigen omgeving
werd als belangrijk onderdeel in de nazorg erkend en er kwam geld beschikbaar
om deze te ondersteunen. De overheid en de zorgverzekeraar toonden zich
daarmee ook betrokken. Maar zij niet alleen. Ook de professionele instellingen
leverden deskundigheid voor het Supportproject en werkte ermee samen.
Ook zij toonden zich betrokken.
Al deze betrokkenheid heeft ervoor gezorgd dat Volendammers elkaar konden ondersteunen bij het omgaan met de gevolgen van de ramp en wisten hoe zij dat het beste konden doen. Betrokkenen kregen steun en gaven steun aan andere betrokkenen en getroffenen. Mensen die verder van de brand stonden, konden hun betrokkenheid tonen en gaven steun aan betrokkenen en getroffenen. En als zij niet in de gelegenheid waren om dat op een directe manier te doen, deden zij dat op een indirecte manier door als ambassadeur op te treden. Veel Volendammers konden zich niet goed voorstellen wat de gevolgen van een ramp zijn. Voor hen was het normaal om zo snel mogelijk weer terug te keren naar het leven van alledag. Maar voor veel Volendammers was dat leven van alledag ineens heel erg veranderd. Supporters wisten hoe dat in elkaar zat en droegen dat uit.
Bijzonder was dat het Supportproject
ook heel veel mensen aansprak die zelf erg betrokken waren. Die getroffen
familieleden, buren of vrienden hadden, en vaak zelf op de Dijk rond
hadden gelopen of in de dagen erna van alles meemaakten. Zij behoorden
eigenlijk tot de doelgroep van het Supportproject, tot de mensen die
support konden gebruiken. Maar zij meldden zichzelf aan als supporter.
Vaak was dat omdat met name ook zij zich onmachtig voelden, niet goed
wisten wat te doen met de situatie. Het Supportproject hielp hen om
de situatie het hoofd te bieden. Vaak was dat ook omdat zij behoefte
hadden aan kennis over de gevolgen van de ramp, over hoe zij het beste
hun omgeving tegemoet konden treden.
Deze betrokkenen werden zelf gesteund door het Supportproject en konden
op die manier ook weer steun geven aan anderen in hun omgeving.
De doelgroep van het Supportproject was veel groter dan alleen de getroffen
jongeren. Ook de mensen om hen heen hadden heel wat te verwerken en
konden daar steun bij gebruiken. Deze mensen hadden vaak behoefte aan
een luisterend oor, aan de gelegenheid hun verhaal te doen, keer op
keer.
Voor de getroffen jongeren gold vooral dat zij sociale steun kregen
op een indirecte manier. Ook zonder dat zij het wisten, hadden zij supporters
om zich heen die begrip hadden. En zij kregen de gelegenheid om samen
met andere getroffenen activiteiten te ondernemen waardoor zij op een
informele manier lotgenotencontact konden hebben.
Zo gaf het Supportproject op diverse manieren sociale steun. En niet
te vergeten, het Supportproject vormde een brug naar de professionele
hulpverlening. Supporters leerden beoordelen wanneer iemand professionele
hulp nodig had en stimuleerden mensen deze dan te vragen. Ook dat is
een vorm van sociale steun.
Sociale steun is wel een
onderwerp van onderzoek maar nog niet zo vaak na een ramp. Sociale steun
is meestal ongeorganiseerd maar in Volendam is het bijzonder dat het
werd georganiseerd. Door een mix van vrijwilligers en professionals.
Volendam bouwde een gemeenschapsvleugel aan het huis van de psychosociale
zorg na rampen. Het laat zien dat de omgeving van mensen een rol kan
en wil spelen in de zorg na een ramp. Volendam heeft het bewustzijn
hiervan vergroot. De professionele hulpverlening die zich in de gevolgen
van een ramp verdiept heeft al het bewustzijn dat het goed is om getroffenen
te stimuleren zich te verenigen in een eigen organisatie, en om de gemeenschap
te helpen bij activiteiten als herdenkingen etc. die de collectieve
verwerking stimuleren. Ook is er het bewustzijn dat de omgeving van
mensen voorgelicht moest worden over wat de reacties van getroffenen
en betrokkenen zouden zijn, psychoeducatie. De professionals weten ook
dat de meeste getroffenen zonder professionele hulp een ramp kunnen
verwerken en dat een omgeving die hier begrip voor heeft helpt. De kerngedachte
van psychosociale hulp na een ramp is dat getroffenen en betrokkenen
normale reacties vertonen op een abnormale gebeurtenis, en niet ziek
zijn. Zij hebben allereerst ondersteuning en betrokkenheid vanuit de
eigen omgeving nodig. Vandaar ook de term psychosociale hulp.
Het bijzondere van Volendam is echter dat het heeft laten zien dat het inschakelen van de eigen omgeving, de nulde lijn, ook als strategie gebruikt kan worden. Professionals kunnen de eigen gemeenschap stimuleren en toerusten om hulp te bieden aan mensen die dat nodig hebben, en dan niet alleen voor de korte termijn maar vooral ook voor de langere termijn. De eigen omgeving, de nulde lijn, kan op die manier een effectieve bijdrage aan de verwerking leveren. Zij is de eerste schakel in de nazorg. De eerste en tweede lijn kunnen de nulde lijn stimuleren en ondersteunen in deze rol. Zij hebben daarmee als eerste een indirecte rol. En als sociale steun niet genoeg is, leveren de eerste en tweede lijn zelf directe professionele hulp.
Daarvoor is het dan wel nodig
dat de financiering van de nazorg dit mogelijk maakt. In het geval van
Volendam kreeg de informele hulp, vanuit de nulde lijn, een eigen plaats
in het Regiobudget, mede dankzij de actieve rol van de zorgverzekeraar
Achmea en steun van het ministerie.
Het Supportproject heeft de omgeving van getroffenen en de eigen gemeenschap
een actieve rol gegeven en dat is nieuw. Actief in het ondersteunen
van getroffenen, actief in het verspreiden van informatie voor en door
betrokkenen. Voor en door, die woorden kenmerken de rol van de Volendamse
gemeenschap. Daarmee is een handvat geboden voor de beschrijving van
de methodische kanten van het Supportproject: als voor- en doormethode.
Penninx en Prinsen hebben een groot aantal informele zorgprojecten onder
deze noemer bij elkaar gebracht en beschreven. Hun bevindingen zijn
gebruikt om het Supportproject door te lichten en te zien wat geleerd
kan worden van het Supportproject voor de toekomst. Het boek is daarmee
gedeeltelijk een methodische beschrijving geowrden waar toekomstige
organisatoren en professionals hun voordeel mee kunnen doen.
Het boek is echter meer dan dat. Het laat ook zien dat de psychosociale
zorg na een ramp, door vrijwilligers en door professionals, moeilijk
is te plannen. Er is veel gebeurd in Volendam. De nazorg ging niet van
een leien dakje maar dat is nooit zo na een ramp en zal ook nooit zo
worden. De nazorg maakt immers zelf deel uit van de chaos en emoties
die na een ramp optreden. Deze ervaring laat zien dat er na een ramp
vooral een goede processturing nodig in plaats van een op inhoud gericht
sturing. De processturing moet oog hebben voor de rol van zowel professionele
hulpverleners als de eigen gemeenschap en deze aan elkaar weten te verbinden.
Het boek pleit ervoor dat er deskundigen komen die ervaring opbouwen
met de chaotische en verwarrende processen die na een ramp plaatsvinden
en die een dergelijk proces kunnen sturen.
Daarom is dit boek niet alleen
belangrijk voor hulpverleners maar ook voor beleidsmakers die zich bezig
houden met de zorg na rampen, voor overheden die met een ramp te maken
kunnen krijgen. Vooral gemeenten kunnen hun voordeel doen met het besef
dat zij er goed aan doen de eigen gemeenschap een rol te geven na een
ramp. In de handreiking voor een gemeentelijk informatie- en adviescentrum
van de VNG zou dit besef meer door kunnen klinken: zet de deuren open
voor de rol van de eigen gemeenschap en wees er niet bang voor. Stimuleer
het werk van vrijwilligers en leid het in goede banen, samen met de
professionele hulpverleners. Daarbij gaat het niet alleen om sociale
steun maar ook de expertise die de eigen gemeenschap in kan brengen.
De SSNV heeft in Volendam veel plaatselijke expertise en financiële
middelen verenigd en op de achtergrond een belangrijke rol gespeeld.
De handreiking staat nu nog huiverig tegenover het idee om andere initiatieven
ruimte te geven. Daarom zou dit boek met name ook door gemeenten gelezen
moeten worden.
U snapt dat ik veel dank
verschuldigd ben aan al diegenen die mij zo open tegemoet zijn getreden.
Vanuit alle hoeken heb ik veel medewerking gekregen. Het was mooi om
te zien hoe betrokken professionals en vrijwilligers in de loop van
de tijd gebleven zijn en hoe zij elkaar in de loop van de tijd hebben
weten te vinden.
Ik heb ontroerende verhalen te horen gekregen, niet allemaal geschikt
voor publicatie maar zij hebben mij gevoed. Ik heb geprobeerd de praktijk
te laten leven, ook door voorbeelden te geven, en ik hoop dat dat gelukt
is ook al is het vooral een leerboek geworden. Dat het een leerboek
is geworden is een compliment aan Volendam en vooral aan al die supporters
die zich zoveel jaren hebben ingezet. Hopelijk kunnen anderen van hun
ervaringen leren.