NIEUWS

 



Tijdloos trauma (NIiVo)

Charles Jonk van voormalige Kakatoe belandde na Nieuwjaarsbrand in nachtmerrie met nasleep
Velen dachten het hardop, destijds. ‘Als we eerst maar tien jaar verder zijn’. Dan heeft de ramp een plek gekregen, zit er wellicht een stoflaagje op dat deel wat in het geheugen opgeslagen is. Maar dat laagje blijkt in veel gevallen een dun vliesje. Verwerkt, onverwerkt, weggestopt of tegen beter weten in keurig opgeborgen, tien jaar na de Nieuwjaarsbrand in De Hemel is er een moment van herdenken, van stilstaan bij. En borrelt alles weer op richting oppervlakte. Charles Jonk (64), destijds mede-eigenaar van het naastgelegen bar De Kakatoe, voelde zich tijdens die naargeestige nacht een hulpeloze hulpverlener. Maar hij verrichtte in die uren net als zijn vrouw Els Bond, zoon Alex en al die honderden anderen op en rond de dijk een heldendaad. Het was geen fictie, geen film; het berustte op werkelijkheid wat ogen, oren en geest te verwerken kregen. Tien jaar na dato vertelt hij. Waar hij een decennium lang veel vaker zweeg. Het brok voortdurend in de keel hangend, de tranen hoog zittend. ,,Ik heb me nooit kunnen voorstellen dat een mens in een paar uur tijd naar de kloten kan gaan, terwijl ik zelf fysiek niks had. Die uren hebben mijn leven veranderd. Een emotionele tik gegeven. Je zou zeggen dat het minder moet worden, na tien jaar. Maar nog elke keer als ik er over praat...”

In totaal zat hij 39 jaar met Bar De Kakatoe, wat nu Café Lennon’s is, aan de Haven, naast het pand waar de ramp zich zou voltrekken. ,,Wij kregen destijds al regelmatig bezoek van brandweercommandant Kees Bont. Als ondernemer vond je dat dan lastig, die nieuwe veiligheidsvoorschriften. Maar het feit dat hij daar aan werkte, was goed én nodig. We hadden geen enkel idee dat we eigenlijk altijd in een levensgevaarlijke situatie hebben gezeten. Hadden de brief gekregen van dat de kersttakken geïmpregneerd moesten worden. Anders mochten we ze niet ophangen. Veertig pakken met kersttakken gingen tegen het plafond aan. Geen mens dacht toch dat het ooit mis kon gaan. Je dacht er niet aan dat er een ramp boven je hoofd hing, letterlijk en figuurlijk. Met die brief had Bont ons bewust gemaakt van het brandgevaar. We hadden inmiddels een brandtrap geplaatst, aan de achterkant. Maar wij zijn gewoon de dans ontsprongen. Ook bij ons zouden ze als ratten in de val hebben gezeten. Al waren wij met oud & nieuw al geruime tijd dicht en mocht mijn zoon Alex destijds de laatste jaren met zijn vrienden in De Kakatoe zitten.”

Jonk was toen 54 jaar. ,,Het leven ging van een leien dakje. Op de dijk ging het goed, wat mijn leven betreft had ik nooit eerder tegenwind gehad. Zelf zat ik die oudejaarsavond bij een zwager in Edam. Dronk niet, want de volgende morgen zou ik om zes uur al in de auto stappen met juwelier Piet Schilder, voor een wintersport. Alex zat met zo’n 45 vrienden in De Kakatoe, ze regelden alles zelf. Ineens ging m’n telefoon. Alex. ‘Pa, er gaat hier iets niet goed’. Ik stapte meteen de auto in. Dacht aan een vechtpartij of zoiets.”

,,Even later belde hij nog eens. ‘Er is hiernaast wat ergs gebeurd.’ Ik ging via de achterkant van De Kakatoe naar binnen. Hoorde in De Blokhut de muziek nog spelen, dus ook daar was men nog niet doordrongen van wat er zich daarboven aan het afspelen was. Alex was ondertussen op het dak van de Wir War-luifel geklommen met een aantal vrienden, zoals Walter de Wit. Om samen met anderen te proberen de jongeren uit De Hemel te krijgen.”

,,Toen ik binnenkwam in onze bar lagen daar al twee meiden. Ze waren niet te herkennen. Riepen de naam van mijn vrouw Els, die als leerkracht op het Don Bosco College zat en nog steeds werkt. ‘Els Bond, help’, dat klonk die nacht nóg wel een aantal keren. Ik liep naar de Wir War Bar en ging daar naar binnen. Eigenaar Jan Veerman (dekker) liep er rond, de ramen waren ingeslagen. Iedereen uit de Wir War was weg, maar boven in De Hemel was nog van alles te doen. Toen ik terugkeerde in De Kakatoe wilde ik het uitleggen, maar ik snapte het nog steeds niet. Ben ook weer teruggelopen naar de Wir War. Want er kwamen allerlei verbrande mensen binnen bij ons, terwijl er geen vuur en rook was. Dat snap je niet.”

,,Brandweermannen waren overal bezig, binnen, buiten, op het dak. Ik had geen enkel besef van hoe groot de omvang was. Ik wist dat koud water niet goed was met al die brandwonden, dus veel jongens die in De Kakatoe hielpen, gingen naar de naastliggende huizen om lauw water te halen. Wij hadden maar een klein geisertje. Het duurde ruim een uur voordat het Sigma-team was opgesteld met een tent buiten. Ik weet nog dat er stoppen begonnen te springen in De Kakatoe, vanwege de grote hoeveelheid water op de houten vloer. En al die jongeren zaten op de vloer, het werd een drekzooitje. Dus pakte ik de waterzuiger, zodat de stoppen er niet meer uit zouden vliegen. Een vader riep naar me of ik soms bang was dat ik de volgende dag niet zou kunnen openen met de bar. Alsof ik daar aan dacht...”

Een ander moment van die nacht kon hij tot voor kort niet delen met andere mensen. ,,Op een gegeven moment was ik bij een verbrande jongen. Hij kon niet meer praten, was in de enorme hectiek niet meer verstaanbaar. Fluisterend klonk in m’n oor de vraag of ik zijn moeder wilde bellen. ‘Om te zeggen dat ik nog leef’.” Charles’ eigen rauwe stem valt even weg, de ogen worden waterig en wenden zich af. ,,Dit is het moeilijkste stukje...”

,,Het netwerk lag er uit, maar mijn telefoon deed het nog. Ik kreeg zijn moeder aan de lijn en zei dat ik moest zeggen dat zijn zoon bij me zat en nog leefde. ‘Geef hem dan’, zei ze. Ik zei dat dat niet kon. ‘Hij is dood, hè?’, riep ze in paniek. Ik zei dat hij echt bij me zat, maar ze geloofde me niet, omdat hij niet aan de telefoon kwam. ‘Hij is dood, hè?’, riep ze weer. Ik weet nog steeds niet wie hij is, maar hij heeft het overleefd. En ik weet ook niet wie de moeder is. Heb dit tot twee jaar geleden ook nooit aan een ander kunnen vertellen. Ik kon het niet, want dan moest ik janken”, bibbert zijn stem ook nu nog.

Hij duikt de chaos weer in. ,,Alex en zijn vrienden en allerlei andere mensen waren bezig om die vijftig jongeren één voor één bij te staan. Het gekerm, het geschreeuw. Sommige meiden kwamen met slierten kerstlampjes binnen, die in hun huid waren gebrand. Omdat ze zaten, stapte er soms iemand per ongeluk op en dan hoorde je weer zo’n schreeuw. Ik probeerde bij een aantal van hen           

die draden met lampjes los te knippen en van de huid te verwijderen. Ze schreeuwden het uit van de pijn. Science fiction? Het was erger dan dat. Elke stap heb ik honderd procent bewust meegemaakt, kan ik nog herinneren. Ergens beland je toch ook in een roes, anders kun je wat je op dat moment ziet niet verwerken. Dan trek je het niet.”

,,Buiten was het ijskoud. Ging steeds die deur open. Het werd maar niet warm. Bleek dat er bij ons achter iemand van het dak bij De Hemel op onze lichtkoepel was gesprongen en gevallen. Die was kapot, dus daar kwam ook kou doorheen. Hoe het met Els ging, hoe het met mijn zoon ging, of met collega’s, iedereen was bezig voor zichzelf maar mét een ander. Iedereen hield iedereen nat en daardoor viel er langzaam maar zeker huid overal van af. Zag je van die witgekleurde zakjes vel als een sik aan hun kin hangen, of aan de armen. Of aan de houten schotten aan de zijkant. Horror...”

,,Ik liep naar buiten, waar de mensen van het Sigma-team bezig waren en ging hun tent in. ‘Als jullie nu niet binnen komen kijken’, werd ik een beetje kwaad. ‘Hier gaan ze dood’. Eén van de Sigma-mensen vroeg of hij me eventjes mocht spreken. Hij legde uit dat er zoveel gewonden waren, dat ze zich vooral richtten op de jongeren die niet het ergst verbrand waren. Omdat die ernstig verbranden misschien toch niet meer te redden zouden zijn. Voor mezelf was dat omgekeerd, wij denken: eerst de ergste helpen. Maar medisch werkt het andersom en ik begreep het naderhand wel. Het zorgde er wel voor dat ik, toen ik De Kakatoe weer inliep, enkele blikken opzij wierp en dacht: ‘jij gaat straks misschien wel dood’.”

,,Het duurde ook lang voordat de eerste jongeren de ambulances in mochten. Die stonden in de rij te wachten, maar eerst moest duidelijk worden wat de ernst van de klachten was, werden allerlei dingen genoteerd en moest er bekeken worden in welk ziekenhuis een team klaarstond. Toen dat op gang kwam, viel me op dat het er niet minder werden in De Kakatoe. Dat kwam omdat een aantal jongeren binnen werden gebracht die in de naastgelegen huizen waren verzorgd. Ondertussen kwamen er enkele ouders binnen via de achterkant, om te kijken of hun kind binnen was. Er zaten vaders tussen die ik goed kende. Verschrikkelijk. De paniek in hun blikken. Als je kind zoek is, dat is het ergste wat je kan overkomen.”

,,En ondertussen begreep ik maar niet dat met zoveel gewonden  het aan de andere kant van De Hemel gelegen restaurant/hotel Le Pompadour niet openging. Op vijftig meter van de brandhaard. Geen gasten, veel douches, bedden en schoon linnen. En de eigenaar was dezelfde als die van De Hemel. Een beter opvangspunt was niet denkbaar met zo’n groot debacle. Nu, tien jaar later, vraag ik me nog steeds af waarom dat niet is gebeurd...”

,,Ook al werd er zoveel geholpen, het gevoel van machteloosheid was onvoorstelbaar. Voordat er adequate hulp kwam, dat duurde eigenlijk te lang. Toen ik even naar buiten liep, stonden daar Theo Kras en Hein Molenaar (sille) namens de Vrijwillige Brandweer. ‘Weer een dooie’, zeiden ze. Die blikken in hun ogen. Volledig getraumatiseerd. Toen ik de Wir War Bar inliep, leunde eigenaar Jan Veerman ook tegen de bar aan met een blik van ongeloof. Hij wees naar de gewonden die op de vloer lagen. ‘Die gaan er waarschijnlijk allemaal aan’, mompelde hij.”

,,Eenmaal in De Kakatoe verbaasde ik me weer over het feit dat zoveel jongeren zonder schoenen binnen zaten. Met die kou buiten. Pas later begreep ik waarom: die waren vastgesmolten aan de vloer van De Hemel en ze hadden zich los moeten rukken. Veel later sprak ik iemand van Brandweer Amsterdam. Hij vertelde me dat hij alles wel zo’n beetje had meegemaakt. Maar dit, dit had hij nog nooit meegemaakt. Zoveel kinderen. En zoveel verbrand, terwijl er geen brand meer was. En die meiden schreeuwen, als dieren die in een val waren geklapt, zulke geluiden. Degene die nog erger verbrand waren, die voelden niks meer. Eén van de barkeepers van De Hemel zat ook bij ons, met vellen aan zijn hand. Hij flipte volledig uit op een gegeven moment. Die moest echt tot bedaren worden gebracht. Tot vijf uur in de nacht zou het duren.”

Om zes uur kwamen ze thuis. ,,Koffers stonden klaar. Maar we vertrokken niet. Piet Schilder belde me. ‘M’n dochter zat er ook in en ligt in het ziekenhuis, we kunnen pas later weg.’ Zo van slag was iedereen. Piet kon helemaal niet weg. En Els en ik wilden niet. Slapen had geen zin, twee uurtjes later gingen we alweer naar de dijk en even later belde met ik zoveel mogelijk mensen die geholpen hadden. Om bij elkaar te komen, om te praten. Belde ook Kees Sier van De Molen me op. Pas die ochtend kreeg ik in de gaten hoe groot de omvang van de ramp was. Vlak daarvoor was ik mijn broer tegengekomen, naast waar ik zelf woon. Of ik iets wist van wat er de avond ervoor gebeurd was op dijk, met al die sirenes? Dat kon ook. Dat er mensen aan de andere kant van het dorp waren die niks hadden meegekregen. Terwijl zich verderop een inferno had afgespeeld.”

,,Klaas de Boer van KBK belde, vanaf zijn vakantieadres in het buitenland. Hij kon maar niemand bereiken. Of ik zijn kinderen die nacht had gezien? Misschien zaten ze wel in De Kakatoe, maar ik herkende ze niet, moest ik hem bekennen. ‘s Avonds zaten we met zes mensen die die nacht hadden geholpen, bij Pauw & Witteman. Het was goed om er zo met elkaar over te praten.”

Alsof het een ramp betreft, waar hij vorige week deel van uit maakte, zo kan de voormalige eigenaar van De Kakatoe er over verhalen. Terwijl hij naderhand het liefst een deksel op de spreekwoordelijke emmer deed en er op ging zitten. ,,Al die verhalen vanaf januari 2001, de boeken, ik heb ze nooit kunnen lezen. Ik kan het gewoon niet. Dan komt alles terug. De geluiden van de pijn van die nacht komen nog wel eens terug. Ik hoor ze nog vaak. Dan loop ik er weer even tussenin, tussen al die jongeren. Als er iets op tv is wat ik er mee associeer, dan gaat-ie op een andere zender. Is hetzelfde met vliegtuigen. In 1975 heb ik eens een noodlanding moeten maken met een DC-10, die op New Delhi vloog. 55 minuten voor de landing werden we gewaarschuwd. Eén motor was uitgevallen en het landingsgestel functioneerde niet. Er waren al zes van die vliegtuigen ‘gevallen’ in de periode daarvoor, met dodelijke slachtoffers. Na de melding moesten we de schoenen uit doen en een houding aannemen. Ik zat naast iemand die piloot van beroep was. ‘Dit is niet goed’, zei hij. Met een enorme knal kwamen we nog veilig aan de grond. Maar wat is dát raar: ben je kerngezond, gebeurt zoiets en weet je dat je binnen een uur dood kan zijn.”

Vooral 01-01-01 wijzigde zijn zelfbeeld. ,,Vroeger vond ik dat ik een stoere bink was, een stoere kroegbaas. Je kreeg mij niet emotioneel. In één nacht is dat alles omver gekegeld. Ik moest het allemaal verwerken, maar dit kón een mens toch niet verwerken? Ik kon echt wel wat hebben. Heb 25 jaar lang gedoken in allerlei wateren en zeeën en hielp daarbij ook mensen met problemen. Zoals een keer in de Amsterdams haven, toen een boot gerestaureerd moest worden, terwijl het op de bodem lag. Groeven we wat ruimte om er onder te gaan liggen in de modder en dan trokken we kabels eronder door zodat-ie daarna omhoog kon worden gehesen. Ging er iets mis en raakte ik bekneld onder de boot. Ik raakte niet in paniek en via een touw slaagden ze er na een tijdje in om me aan m’n benen eronder vandaan te trekken, zodat ik naar boven kon.”

,,Sinds die ramp ben ik erg emotioneel. Hebben we thuis nooit meer een kerstboom neergezet. Daar word ik niet vrolijk van. Buiten staan twee mini-boompjes. De sfeer die het uitstraalde, nee, Kerstmis is nooit meer wat het is geweest. Oud & nieuw ook niet. Altijd was het een mooi deel van het jaar. Maar sindsdien associeer ik het altijd met wat er toen gebeurd is, dat gaat nooit meer uit je lijf vandaan. Daar is het te erg voor geweest: jonge kinderen in feeststemming, die hun leven nog tegoed hadden...”

,,Ik heb een enorme emotionele tik gekregen. Kan er goed mee omgaan als ik de verbrande jongeren zie. Om dan met ze te praten, is geen probleem, maar ze moeten me niet vragen om over die nacht te gaan vertellen. Dan ga ik door het ijs. Ik had echt gedacht dat het een beetje zou slijten, het is toch al tien jaar geleden. Maar het blijft bovenkomen. Dat zal ongetwijfeld komen omdat het zo ingrijpend is geweest.” Hij pakt een goed bewaarde brief, van boven. Van enkele weken na de ramp, afzender Inge Keijzer, vanuit het ziekenhuis in het Belgische Leuven. Ze schrijft dat ze van haar vader gehoord heeft dat zij in De Kakatoe is geholpen en iedereen wil bedanken.

Af en toe gaat de blik naar buiten. Als de ogen weer naar ‘het verhaal’ gaan, praat hij met respect over zijn partner. ,,Els is een hele sterke vrouw. Ze kende veel jongeren die ze die nacht heeft gezien, als leerlingen van het Don Bosco College. En als leerkracht ging ze meteen na 1 januari aan de slag om hen verder te begeleiden. En met haar ging ik langs allerlei ziekenhuizen. Van Brussel naar Utrecht, naar Zaandam. Zoals we samen naar de begrafenissen zijn geweest. Heel emotioneel, maar we konden er samen goed over praten.”

,,En soms had je het er met iemand anders over. Bijvoorbeeld Mariska Tol, een kanjer van een wijf. Die ook die nacht had geholpen en zelf al zoveel had meegemaakt. Maar zo waren er meerdere mensen die in die uren zoveel goeds hebben gedaan. Ongekend, hoeveel werk er is verricht. Met m’n zoon Alex heb ik het er al geruime tijd niet meer over gehad. Maar zelf haal ik nu ook weer dingen boven die ik al die tijd het liefst schuil hield. Een mens kan veel praatjes hebben, maar zoiets als toen maakt je zo verschrikkelijk klein.”

Ruim een jaar later was er een nieuwe opdoffer. ,,We waren in Spanje met vakantie en plots belden bekenden van ons, de overburen van Els’ broer Henry. Dat er politie en ambulance voor de deur stond bij zijn huis. Els voelde het al en dacht meteen aan zelfdoding. Haar voorgevoel klopte. Het haalde alles weer bloot. Het had niet moeten gebeuren, maar je denkt toch niet dat het zover komt... Els was er al zo bang voor, zag dat het niet goed ging met hem. Ach, dacht ik. Een sportman. Hij had problemen, maar ik dacht dat hij zich er bovenop zou vechten. Ik heb het helemaal verkeerd ingeschat. Verschrikkelijk als er dan een gezin achterblijft, vrouw en twee kinderen”.

,,Els heeft naderhand alle boeken gelezen omtrent zelfdoding. Kent de weg die mensen dan afleggen. Ik beleefde het in een roes. Het lijkt wel of je op sommige momenten als het ware buiten jezelf treedt. Anders kan een mens het toch niet allemaal in korte tijd verwerken, dan ga je er aan. Eigenlijk kwam daarna gaandeweg het gevoel dat ik geen zin meer had in het barleven daar in De Kakatoe. Dat kantje van de dijk, je werd er met akelige dingen geconfronteerd, klanten van toen kwamen niet meer, of minder. Kerstmis had nooit meer de oude sfeer van vóór de Nieuwjaarsbrand. Nieuwjaarsdag verviel van een ‘topuitgaansdag’ naar een leuke avond. De ziel was er uit geraakt.”

,,Wat het leven sinds de Nieuwjaarsbrand mij vertelt, is dat je van veel factoren afhankelijk bent om het naar de zin te hebben in het leven. De ene minuut sta je met een glas champagne in je hand te proosten op het afgelopen en het nieuwe jaar en de andere minuut sta je in de hel. Geluk is relatief. Ik was echt een man die voorheen de emoties goed kon weerstaan. Nu moet ik het omzeilen. Ontvluchten om niet door de mand te vallen. Een beetje man-eigen, denk ik. Ik heb een ‘krikkie’ terug gehad, zoals ik dat noem. De grootste ego’s kunnen knakken, heb ik wel gemerkt.”

,,In de tussenliggende jaren heb er ik vaak met Els over gesproken. Zelden met anderen. Dat was veel te moeilijk. Als tijdens ‘avondjes’ het onderwerp ter sprake kwam, dan zweeg ik vaak, ging niet mee in het verhaal. Anders zou ik de mist in gaan. Dan probeer je jezelf sterker te verkopen dan je op dat moment bent. Maar je staat voor een voldongen feit. Moet proberen in de kar te blijven. Gemakkelijk is het niet. Als ik denk aan die momenten met het eraf halen van die kerstlampjes van de huidjes van meiden, een lijf vol ‘elektradraad’. Dat is niet simpel te verwerken. Zo tegenstrijdig. De kerstversiering, als een brandend gordijn is het over hen heen gevallen. Een nachtmerrie.”      

,,Lichamelijk ben ik overeind gebleven. Heb altijd goed voor mezelf gezorgd. Ben ook een sportman. Ik had in De Kakatoe al gauw door dat ik continu in de nattigheid zat, met alcohol en gezelligheid in je nabijheid. Daarom werd de sport een stok achter de deur. Anders verval je in het verhaal van zeven dagen per week feest. Ik ben altijd een vrolijk en positief mens gebleven, moeilijk op de knieën te krijgen. Ben een gelukkig mens, maar op geluk hebben kun je weinig invloed uitoefenen. Je kunt het wél verknallen. Er komt tegenwoordig een hoop bij kijken. Je moet zelf gezond zijn, je partner, je familieleden, mensen om je heen, je wilt een goede baan. Een paar jaar geleden is mijn dochter gescheiden, dat vond ik erg emotioneel. Het geluk kan razendsnel verdwijnen, is me duidelijk geworden in de laatste tien jaar. Maar je moet daar niet naar gaan leven. Ik ben zelf 64 jaar en kan wel steeds gaan zeggen dat over tien jaar alles achter de rug is, maar dan heb je nu al geen schik meer. Je moet toeleven naar dat wat nog komen gaat. Ook al blijf ik het een gekke gedachte vinden dat er ooit een eind aan het bestaan komt.”

Vooralsnog staat hij zelf midden in het leven en laat zich omringen met nieuw leven. ,,M’n kleinkinderen zijn m’n vrienden. Die kaboutertjes doen me heel veel. Het mooie van jonge kinderen is dat ze naar de positieve kant van het leven kijken. Ze kennen de andere kant nog niet. Over ‘toen’ vertel ik nog niet. Sowieso vinden ze het ‘stom’ als de bap over vroeger praat. Ooit zal ik het hen misschien vertellen, als er vragen komen. Nu willen ze zoiets nog niet horen, staan ze onbezorgd in het leven. Gelukkig maar. Want dat ben je maar even.”

Hij zal straks, rond 1 januari, zeker herbeleven en herdenken. ,,Ik ga het niet ontlopen of verdringen. We gaan zeker naar de kerk. Dat zal emotioneel worden. Ik ga er niet vaak heen, maar als ik er ben, dan is het vanwege ellende. Ook dat hoort bij het leven. Maar niet teveel. De doorsnee-mens probeert, wat er tien jaar geleden gebeurd is, onder het matje te vegen, er weinig over te praten. Maar je kunt het niet wegpoetsen. Dat ik het probeerde weg te houden, die jaren zijn er geweest. Maar zeker nu, tien jaar later, mag er over gepraat worden. Over iets wat nog wel generaties, honderd jaar, zal duren. Dan pas zijn de sporen uitgewist. Dit is geen stoffie, dat even wegwaait. Dit is het ergste wat Volendam is overkomen.”

 

Terug

 

 

 

NAZORGVOLENDAM.NL